Landbouwers kunnen de verontreiniging van oppervlaktewater
in de nabijheid van velden en boomgaarden beduidend verminderen door het nemen
van verschillende voorzorgsmaatregelen. Op deze wijze leveren ze eveneens
een bijdrage tot de bescherming van het watermilieu en de kwaliteit van het
water en dit zonder dat de werkzaamheid van de gewasbeschermingmiddelen in
het gedrang komt.
Hieromtrent wordt een informatiecampagne gestart
door de dienst Pesticiden en Meststoffen (Federale Overheidsdienst Volksgezondheid,
Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu). Deze informatiecampagne kadert
in het Federaal programma voor verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden.
De maatregelen die progressief in werking zullen
treden, zijn de volgende:
-
het in acht nemen van bufferzones
zoals aangeduid op het etiket en weergegeven op de website Fytoweb,
-
het gebruik van aangepaste
spuittoestellen en antidriftdoppen,
-
het aanleggen van hagen en schermen
in boomgaarden,
-
het voorkomen van plaatselijke
verontreinigingen tijdens de bereiding van de spuitoplossing en het onderhoud,
-
het gebruik van goede
landbouwpraktijken tijdens het uitvoeren van de bespuitingen,
-
het bepalen van het driftreductiepotentieel
van het spuittoestel tijdens de technische controle,
-
de verbetering van de spuittechnieken.
-
het instellen van braakzones
in akkerbouwteelten
Deze brochure is gebaseerd op de resultaten van een
onderzoeksproject gefinancierd door het Begrotingsfonds voor de grondstoffen
en producten. Het project werd toevertrouwd aan D. Nuyttens (Station voor
landbouwtechniek te Gent), B. Huyghebaert (Station voor landbouwtechniek te
Gembloux) en P. Jaeken (Proefcentrum voor de fruitteelt te Gorsem). Het werd
gerealiseerd in nauwe samenwerking met de Dienst Pesticiden en Meststoffen.
De auteurs hebben de factoren geëvalueerd die de
drift van spuitnevels beïnvloeden (type doppen en spuittoestellen, aanwezigheid
van hagen en schermen, klimaatsomstandigheden). Ze hebben een enquête gehouden
onder de fruittelers betreffende de aanwezigheid van hagen en wateroppervlakken
rond boomgaarden. Ze hebben eveneens een enquête uitgevoerd omtrent het spuitmateriaal
en de antidrifttechnieken die in België gebruikt worden.
Er werd ook rekening gehouden
met de beschermende maatregelen voor het oppervlaktewater die toegepast worden
in 3 pionierslanden in dit domein (Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië)
teneinde een systeem te creëren dat zich integreert in risicobeheersingssystemen
die gelden in onze omringende landen.
| Informatie
over dit document kan verkregen worden bij : |
|||||||||
|
|
|||||||||
FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen
en Leefmilieu |
|||||||||
Directie-generaal Dier, Plant en
Voeding
Dienst Pesticiden en Meststoffen
|
|||||||||
| Eurostation |
|||||||||
Blok II, 7de verdieping |
|||||||||
| Victor Hortaplein 40 bus 10 |
|||||||||
| 1060 Brussel |
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|||||||||
| Web site :
http://fytoweb.fgov.be |
Alle gebruikers (landbouwers,
loonspuiters, …) zijn verplicht de gebruiksdosissen en de bufferzones vermeld
op het etiket van gewasbeschermingsmiddelen na te leven.
De bufferzone
is een niet behandelde strook van een terrein in de nabijheid van een wateroppervlak
(beek, vijver, plas, sloot met water, drainagekanalen,…). Het instellen van
een dergelijke zone heeft als doel de bescherming van waterorganismen (vissen,
zoetwaterinvertebraten, insecten die zich ontwikkelen in het sediment, algen
en waterplanten) tegen gewasbeschermingsmiddelen aangevoerd door spuitnevels
te verzekeren.
De vegetatie
van de bufferzone heeft geen belang. Ze kan bestaan uit een braakliggende
strook of eender welk ander type vegetatie. De bufferzone kan eventueel een
deel uitmaken van het veld en op dezelfde manier beteeld worden als de rest
van het veld.
De breedte
van de bufferzone is de minimale afstand die moet in acht worden genomen
tussen de laatste bespoten rij (tijdens de toepassing van een gegeven gewasbeschermingsmiddel)
en de oever van het wateroppervlak (waar de helling overgaat in het maaiveld).
In België zijn
de bufferzones vastgelegd op 2 tot 200 meter volgens het risico van elk gewasbeschermingsmiddel
voor de waterorganismen .
Onder alle omstandigheden moet een niet behandelde
zone van minimum 1 m (voor spuittoestellen voor veldgewassen) en minimum 3
meter (voor boomgaardspuittoestellen) in acht worden genomen ten opzichte
van oppervlakken die niet moeten behandeld worden (naburig veld of perceel,
sloot, haag, boord van de weg, voetpad). Dit is een maatregel die toelaat
de volgende effecten te beperken:
-
De schade van fytotoxiciteit op naburige
teelten en wilde flora,
-
toxische effecten op niet-doelorganismen
(vogels, zoogdieren, honingbijen,…) aanwezig in de hagen en keerstroken,…
-
de verontreiniging van oppervlaktewater
via riolen en sloten.
Deze regel is niet van
toepassing indien de beide eigenaars van twee aan elkaar grenzende percelen
overeenkomen dat de drift van de spuitnevel die van hun buurman afkomstig
is, niet hinderlijk is en dat ze de gevolgen daarvan aanvaarden (eventuele
fytotoxiciteit, residu van het pesticide gebruikt in de aangrenzende teelt,
…)
De kantdoppen zorgen voor een
driftreductie op zeer korte afstand. Het gebruik van deze spuitdoppen is aanbevolen
om de schade aan aangrenzende teelten te beperken en aan hagen en keerstroken.
De toepassing
van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen die gevaarlijk zijn voor waterorganismen
is onderworpen aan het naleven van bijkomende maatregelen ter beperking van
de drift van spuitnevels. Deze voorzorgsmaatregelen zijn bestemd voor toepassing in percelen dichtbij
wateroppervlakken
1 – het in
acht nemen van een niet behandelde bufferzone langs het wateroppervlak
2 – het gebruik
van een bepaald spuittoestel
3 – het gebruik
van driftreducerende doppen
4 – de eventuele
installatie van een scherm of het planten van een haag voor de percelen dichtbij
wateroppervlakken
De breedte
van de bufferzone (2, 5, 10, 20, 30 meter) en het driftreducerend percentage
(50, 75, 90%) die nageleefd moeten worden, zijn aangeduid op het etiket van
het gewasbeschermingsmiddel.
De lijst van driftreducerend
materiaal wordt regelmatig aangepast door een technisch comité waaraan D. Nuyttens (Station voor landbouwtechniek
te Gent), B. Huyghebaert (Station voor landbouwtechniek te Gembloux), P. Jaeken
(Proefcentrum voor de fruitteelt te Gorsem) en de Dienst Pesticiden en Meststoffen
deelnemen.
Deze maatregelen
zullen opgenomen worden in de lastenboeken van de producenten en gecontroleerd
worden door een extern geaccrediteerd organisme.
De gebruiker kan de bufferzone
beperken in vergelijking met de aanduidingen op het etiket indien hij beschikt
over efficiënte spuitapparatuur (driftreducerende onderdelen) en/of beschermde
maatregelen (hagen, schermen) voorziet. De mogelijkheden om de bufferzone
te beperken zijn hier opgenomen in de tabel 'breedte
van de bufferzone'
Een voorbeeld
van berekening is opgenomen in de tabel 'berekening'
De landbouwer beslist over de aanplanting van een
haag in functie van de nabijheid van de percelen tot wateroppervlakken en
de antidriftmaatregelen die vereist zijn voor de gewasbeschermingsmiddelen
die in het algemeen gebruikt worden op zijn bedrijf. Hij houdt rekening met
andere geldende wetgeving (regionaal,…).
Het aanplanten
van een haag heeft als doel de bescherming van waterorganismen tegen gewasbeschermingmiddelen
die aangevoerd worden door spuitnevels. Het heeft eveneens als functie de
invloed van het gewasbeschermingsmiddel op naburige percelen te beperken,
nuttige insecten en predatoren van schadelijke insecten (roofmijten, sluipwespen,
roofwantsen,…) te beschermen en een gunstig microklimaat in het perceel te
creëren. De haag wordt beschouwd deel uit te maken van het beteelde perceel.
-
De haag moet bij voorkeur samengesteld
zijn uit bomen of bladheesters en niet uit coniferen (deze kunnen de spuitnevels
overdragen op het wateroppervlak),
-
De haag moet minstens even hoog zijn
als de fruitbomen of de hopteelt,
-
De haag moet de volledige kant langs
het wateroppervlak afboorden. De landbouwer is vrij om ook een haag te planten
op de andere kanten van het perceel,
-
De haag mag geen enkele opening vertonen
(bijvoorbeeld als gevolg van het opsnoeien van lage takken),
-
De bladeren moeten aanwezig zijn over
heel de lengte van de haag,
-
De afstand tussen de haag en het wateroppervlak
moet rekening houden met de geldende wetgeving. In het algemeen,
is de haag minstens 5 m verwijderd van
het wateroppervlak,
-
het plaatsen van « muren »
van pallox of schermen van riet kunnen een alternatief voor de hagen zijn.
De wateroppervlakken
zijn gedefinieerd als zijnde de beken, rivieren, drainagekanalen, plassen,
vijvers en sloten die water bevatten. In de praktijk dient de bespuiting te
gebeuren rekening houdend met de driftbeperkende maatregelen (aangepaste spuitdoppen,
bufferzones, …) wanneer het wateroppervlak water bevat op het moment van de
bespuiting (bijvoorbeeld, een gracht die tijdelijk water bevat na regenbuien
voert het water naar rivieren of vijvers waar aquatische organismen leven).
De waterbekkens die zich op het bedrijf bevinden en gebruikt worden voor de
vloeibare bemesting of het begieten zijn niet opgenomen in deze definitie.
De grachten
of kanalen die voornamelijk als riolen gebruikt worden, worden niet als wateroppervlakken
beschouwd.
De afstand
tot het wateroppervlak wordt berekend vertrekkende vanaf de voet van de
fruitbomen die zich het dichtst bij het oppervlaktewater bevinden. Als het
perceel omringd is door een haag van appelbomen of perenbomen, dan wordt deze
haag beschouwd als de laatste bomenrij voor de berekening van de bufferzone.
4 Het verhinderen van plaatselijke of accidentele
verontreinigingen bij de bereiding van de spuitoplossingen en tijdens het
onderhoud van het spuittoestel.
De volgende maatregelen
laten toe plaatselijke verontreinigingen tijdens de bereiding van de spuitoplossing
te beperken :
-
onderhoud van het spuittoestel : lekken herstellen,
defecte doppen vervangen, de werking van de manometer nakijken,…
-
het juiste volume van de oplossing bereiden dat nodig
is voor de toepassing
-
elke overstroming van de tanken voorkomen
-
waters dichtbij de vulplaats beschermen tegen het
accidenteel overlopen van de spuitoplossing of het product.
-
Het water voor het spuittoestel niet rechtstreeks
uit een wateroppervlak of een put pompen. Het teruglopen van geconcentreerde
oplossingen kan deze waters sterk verontreinigen.
-
De verpakkingen verschillende keren spoelen met proper
water en het spoelwater in het spuittoestel gieten.
-
De goed gespoelde en propere verpakkingen en sluitdoppen
op een correcte manier verwijderen. De V.Z.W. Phytofar Recover houdt zich
bezig met de verzameling van verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen in
België. http://www.phytofar.be/fr/ini_int2.htm
-
De resten van de spuitoplossing verdunnen, ze verspuiten
op het veld en het spuittoestel spoelen op het veld. De systemen van microbiële
afbraak en adsorptie op organisch materiaal (stro, …) worden nog onderzocht
en kunnen een efficiënte oplossing bieden voor de resten van spuitoplossing
in de toekomst.
De volgende
factoren hebben een negatieve invloed op de regelmatigheid van de bespuiting
waardoor een verhoogde dosis en een slechte efficiëntie ontstaat. Ze zorgen
eveneens voor een verhoging van de drift en de verontreiniging van oppervlaktewater.
-
Hoge rijsnelheid
-
De hoogte van de spuitboom
-
De zijwaartse bewegingen van de spuitboom,
-
Het slecht afregelen van de druk en onaangepaste
doppen
-
…
De bespuitingen
moeten bij voorkeur uitgevoerd worden bij rustig weer (zwakke wind, ‘s morgens
of ‘s avonds)
Er wordt de
landbouwers aangeraden de aanbevelingen van de fabrikant te volgen wat betreft
het afstellen van het spuittoestel (optimale druk, rijsnelheid voor gekozen
doppen, gepaste spuitboomhoogte). Daarenboven heeft de land- en tuinbouwer
via de 3-jaarlijkse keuring van the spuittoestel heel wat praktische, technische
informatie (slijtage spuitdoppen, drukval naar spuitboom toe, drukevenwicht,
afstelling spuitcomputer en compensatieregeling, onderhoudstoestand filters
en spuitbomen, werking luchtklok,…) ter beschikking om de spuitmachine op
regelmatige basis optimaal te kunnen afstellen.
Lage druk bespuitingen
verminderen het driftrisico aanzienlijk.
Sinds 1995 hanteert België
een verplichte en periodieke controle van spuittoestellen. Er werden technische
verbeteringen en een positieve evolutie van de mentaliteit vastgesteld.
Al de spuittoestellen die gebruikt worden op Belgisch grondgebied moeten gecontroleerd
worden, met uitzondering van de ruggedragen spuittoestellen, de gieters en
de kleine toestellen waarbij de te verspuiten oplossing onder druk wordt geplaatst
met de hand of met behulp van een gas. (Koninklijk
besluit van 10 augustus 2004 betreffende de uitvoering van de verplichte keuringen
op spuittoestellen en de betaling ervan (MB 30-08-04)
en Ministerieel besluit van 25 augustus
2004 betreffende de verplichte controle van spuittoestellen (MB 14-09-04)).
7 mobiele
controleploegen verplaatsen zich tot dichtbij de woonplaats van de gebruiker.
De gebruikers worden persoonlijk opgeroepen. Als het spuittoestel wordt goedgekeurd,
wordt een klever op het toestel geplakt, die geldig is voor 3 jaar. Voor nieuwe
toestellen die verkocht zijn na de datum waarop dit huidige besluit in werking
is getreden, moet de controle ten laatste 3 jaar na de verkoop plaatsvinden.
De controles voor het Franstalig en Duitstalig gedeelte van het land worden
georganiseerd door ‘le Département du Génie Rural de Gembloux’, de controles
voor het Nederlandstalig gedeelte en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden
georganiseerd door het Departement Mechanisatie, Arbeid, Gebouwen, Dierwelzijn
en Milieubeveiliging te Merelbeke.
De regionale
keuringscentra zullen informatie verstrekken omtrent de mogelijkheden om de
maximale bufferzones te reduceren door middel van aangepaste spuitapparatuur.
Er is voorzien dat, na een uitgebreide en intensieve voorlichtingscampagne
binnen de land- en tuinbouwsector omtrent deze regelgeving, het driftreductiepotentieel
van een spuittoestel op the keuringscertificaat vermeld kan worden.
7 De verbetering van
de spuittechnieken
Er wordt
gewestelijke steun toegekend aan landbouwers die investeren in materiaal of
uitrusting die bijdraagt tot de bescherming of verbetering van het leefmilieu.
De steun slaat op de aankoop en het gebruik van:
-
spuittoestellen voor gewasbeschermingsmiddelen uitgerust met een systeem voor
het spoelen van verpakkingen.
-
uitrustingen voor het spoelen van de verpakkingen,....
Het instellen
van braakzones langs wateroppervlakken ( beek, vijver, plas, sloot, drainagekanaal,…)
grenzend aan teelten, laat toe het watermilieu te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen
aangevoerd door drainage of uitspoelen van bodempartikels Deze zone heeft
eveneens een gunstige invloed op het percentage pesticide dat aangevoerd wordt
door spuitnevels. Deze zones verminderen eveneens het afvloeien van meststoffen
naar het oppervlaktewater.
Het in
acht nemen van de gebruiksdosissen en de bufferzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
heeft geen enkel verband met de wetgeving omtrent de agro-leefmilieu maatregelen.
De wetgeving over de agro-leefmilieu maatregelen valt onder gewestelijke bevoegdheid.